Ontslagvergoeding en de 30-% regeling
De 30% regeling
De 30%-vergoeding is fiscaal-rechtelijk een netto kostenvergoeding en dus in fiscale zin geen loon. De kostenvergoeding houdt ermee verband dat een werkgever een (al dan niet Nederlandse) werknemer in het buitenland werft. Omdat zijn immigratie en verblijf in Nederland kosten met zich brengt – internationale verhuizing, kinderen naar een speciale school, etc. – kunnen deze kosten forfaitair op 30% van het loon worden gesteld. Voorwaarde hierbij is dat de kennis of kunde van deze werknemer op de Nederlandse arbeidsmarkt niet aanwezig of schaars is.
Er hoeft over de 30%-vergoeding, evenals over alle andere fiscaal toegestane kostenvergoedingen, dus geen belasting te worden betaald. Daar staat tegenover dat over kostenvergoedingen (in fiscale zin) ook geen inkomensvoorziening kan worden opgebouwd. Dus geen pensioen- of lijfrentevoorziening. De opbouw van een inkomensvoorziening is alleen mogelijk over 'echt' loon.
Toepassing 30%-regeling op ontslagvergoedingen
Het Gerechtshof in Den Haag oordeelde in 2006 dat de 30%-regeling ook van toepassing is op ontslagvergoedingen. Dit was opmerkelijk, omdat de uitvoeringsbepalingen expliciet voorschreven dat de 30%-regeling alleen van toepassing was op ‘loon uit tegenwoordige dienstbetrekking’. Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is het loon dat in een directe relatie staat tot de geleverde arbeidsprestatie. Een ontslaguitkering wordt aangemerkt als ‘loon uit vroegere dienstbetrekking’, omdat een dergelijke uitkering haar oorzaak vindt in de beëindiging van de arbeidsrelatie. Loon uit vroegere dienstbetrekking valt volgens de hiervoor genoemde uitvoeringsbepalingen niet onder de toepassing van de 30%-regeling. Het gerechtshof oordeelde dus dat de uitvoeringsbepalingen op dit punt in strijd waren met de wet.
In tegenstelling tot het Hof in Den Haag oordeelde de Hoge Raad op 25 januari 2008 dat de 30%-regeling (wel) is beperkt tot loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. De Hoge Raad overweegt hiertoe dat de Tweede Kamer destijds geen opmerkingen heeft gemaakt over het voorgelegde concept Uitvoeringsbesluit en de toelichting hierop. In de toelichting is expliciet aan de orde geweest dat de 30%-regeling niet van toepassing is op pensioen of ontslagvergoedingen. Tevens heeft de wetgever de in artikel 15a lid 1 sub j opgenomen clausule "onder daarbij te stellen voorwaarden" kennelijk ook willen betrekken op de grondslag van de 30%-regeling. Dit houdt, aldus de Hoge Raad, in dat in het Uitvoeringsbesluit nadere invulling aan het begrip loon kon worden gegeven. De besluitgever was dus gerechtigd de grondslag van de 30%-regeling te beperken tot loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en hij hoefde niet aan te sluiten bij het loonbegrip uit artikel 10 lid 1 Wet LB. De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het Hof Amsterdam omdat uit de stukken niet duidelijk blijkt in hoeverre de onderhavige ontslagvergoeding (deels) als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking kon worden aangemerkt.
Hiermee is definitief vast komen te staan dat de 30%-regling niet van toepassing is op ontslagvergoedingen.
